Wat is chemotherapie?

Het woord chemotherapie betekent letterlijk chemische (‘chemo’) behandeling (‘therapie’). Chemotherapie wordt vooral toegepast bij de behandeling van kanker. Het is een behandelmethode waarbij gebruik wordt gemaakt van bepaalde geneesmiddelen (cytostatica) die de groei en vermenigvuldiging van kankercellen remmen of die de kankercellen doden. De geneesmiddelen die gebruikt worden bij chemotherapie komen in de meeste gevallen terecht in het bloed en worden door het gehele lichaam vervoerd.

Andre behandelingen.

Andere behandelingen bij kanker De meeste mensen met kanker ondergaan een combinatie van behandelingen. Naast chemotherapie, zijn chirurgie en radiotherapie (bestaling) de belangrijkste behandelmethoden bij kanker. Andere behandelingen bij kanker zijn onder meer het toedienen van hormonen en medicijnen ter versterking van het immuunsysteem Herseptin. Net als chemotherapie werken deze middelen niet alleen op de plaats van toediening, maar overal in het lichaam.

Wanneer  is chemoterapie nodig ?

Wanneer is chemotherapie nodig? Chemotherapie wordt vooral toegepast bij kanker. Er zijn tientallen cytostatica met allen een iets andere werking. Of chemotherapie nodig is, is onder andere afhankelijk van de leeftijd van de patiënt, de levensverwachting en de eigenschappen van de tumor en eventuele uitzaaiingen. Bij elke patiënt wordt door een oncologisch team bepaald of chemotherapie geschikt is en welke middelen gebruikt moeten worden. Het oncologisch team bestaat uit alle specialisten die betrokken zijn bij de patiënt.

Hoe werkt chemotherapie?

In een gezond lichaam worden voortdurend nieuwe cellen gevormd. Deze zijn nodig voor groei en voor vervanging van afgestorven cellen. Cellen hebben een beperkte levensduur. Rode bloedcellen bijvoorbeeld leven zo’n 120 dagen; witte bloedcellen en bloedplaatjes een fractie daarvan. Om de samenstelling van het bloed goed te houden, is voortdurende aanmaak van nieuwe cellen nodig. In het beenmerg worden daarom voortdurend bloedcellen gevormd uit stamcellen. De stamcellen verdubbelen hun erfelijk materiaal en delen zich daarna in tweeën: het ene deel blijft stamcel en gaat opnieuw delen en het andere deel rijpt uit tot een bloedcel/bloedplaatje.Het beenmerg is het weefsel waarin de meeste celdelingen plaatsvinden. Andere weefsels waarin de celdelingssnelheid hoog is, zijn de slijmvliezen van het maagdarmkanaal en de haren. Bij kanker is er sprake van ongeremde en ongecontroleerde celdelingen in het lichaam. Ergens in het lichaam is er iets mis gegaan met de normale celdelingen. Kankercellen delen zich meestal heel snel, rijpen niet goed uit, woekeren en verdringen gezonde cellen.De middelen die gebruikt worden bij chemotherapie kunnen op twee manieren werken: ze doden de kankercellen (cytotoxische middelen) en ze belemmeren de celdeling (cytostatische middelen). De meeste middelen behoren tot de tweede groep. Door de celdeling te belemmeren, ontstaan er minder nieuwe kankercellen. Dode kankercellen kunnen dus niet vervangen worden waardoor de tumor in grootte afneemt. Deze middelen zijn het meest effectief bij snelgroeiende kankersoorten omdat daar het aantal celdelingen hoog is.

Hoe wordt chemotherapie gegeven?

Chemotherapie kan op meerdere manieren toegediend worden. De meest gebruikte manieren zijn via de mond (oraal), meestal in tabletvorm en in een ader (intraveneus). Intraveneuze toediening kan plaatsvinden door het middel rechtstreeks in een ader in te spuiten of het via een infuus langzaam in de ader te laten stromen. De intraveneuze toediening kan ook plaatsvinden via een port-a-cath. Dat is een reservoirtje dat met een kleine ingreep onder de huid geplaatst wordt en via een slangetje verbonden is met een ader. Er zijn ook systemen die gedeeltelijk buiten het lichaam liggen zoals de Hickmannkatheter. Andere methoden om chemotherapie toe te dienen, zijn via een injectie in de spier (intramusculair), onder de huid (subcutaan), in de vloeistof rond het ruggenmerg (intrathecaal). Bij beginnende blaaskanker kunnen blaasspoelingen worden gedaan waarbij de blaas gedurende één à twee uur gevuld wordt met cytostatica. Bij huidkanker kan een arm of een been behandeld worden door het betreffende lichaamsdeel tijdelijk af te sluiten van de normale bloedsomloop en er cytostatica door te laten stromen (geïsoleerde perfusie). Soms worden de cytostatica rechtstreeks in een tumor gespoten. Voor elke patiënt wordt een toedieningsschema gemaakt waarin staat wanneer welk middel in welke dosering moet worden toegediend. Meestal bestaat het schema uit een aantal kuren. Een kuur omvat een periode waarin de chemotherapie toegediend wordt, gevolgd door een periode rust waarin het lichaam kan herstellen. Hoge doseringen chemotherapie afgewisseld met korte rustperiodes zijn het meest effectief. Voordat na een rustperiode de volgende kuur wordt gestart, wordt via bloedonderzoek gecontroleerd of het herstel (van met name het beenmerg) goed is verlopen. Wanneer het lichaam niet voldoendehersteld is, wordt de volgende kuur uitgesteld.

Wat zijn de resultaten van chemotherapie?

Bij bepaalde vormen van kanker is chemotherapie curatief; dat wil zeggen dat de tumor volledig verdwijnt en de patiënt geneest. Met alléén chemotherapie lukt het om ongeveer 10 procent van de patiënten met kanker te genezen. Vaak wordt chemotherapie gecombineerd met andere behandelingen. Chemotherapie kan bijvoorbeeld worden gegeven om de succeskans van een andere behandeling tegen kanker te verhogen. Het kan bijvoorbeeld gegeven worden vóór een operatie (neo-adjuvante chemotherapie) waardoor de tumor slinkt en het operatiegebied verkleind wordt. Bij borstkanker kan door deze vorm van chemotherapie de borst vaker behouden blijven. Ook na operatie kan chemotherapie nodig zijn (adjuvante chemotherapie). Adjuvante chemotherapie kan onder andere worden toegepast bij borst-, darm- en longkanker. Eventueel achtergebleven kankercellen kunnen worden vernietigd. In beide gevallen wordt de kans op uitzaaiingen of terugkeer van de kanker verkleind. In Nederland is 50% van de volwassenen en 70% van de kinderen met kanker 5 jaar na de diagnose nog in leven. Deze zogenaamde 5-jaars overleving wordt beschouwd als een goede maat voor het effect van een behandeling. Chemotherapie kan ook palliatief zijn; dat wil zeggen dat de symptomen worden verlicht en/of de levensverwachting toeneemt, maar de ziekte aanwezig blijft. Het is gebleken dat cytostatica meestal het beste (blijven) werken wanneer een aantal middelen tegelijkertijd worden gegeven. Het kan voorkomen dat tijdens de behandeling één of meer middelen minder goed of helemaal niet meer werken (resistentie). Overstappen naar andere middelen of behandelingsmethoden is dan nodig. Cytostatica en sommige andere medicijnen (bijvoorbeeld sommige antibiotica, middelen tegen jicht en homeopathische middelen) kunnen elkaars werking beïnvloeden. Om deze interacties te voorkomen, is het belangrijk dat de arts precies weet wat een patiënt slikt.

 

Wat zijn de bijwerkingen van chemotherapie ?

Bijwerkingen Chemotherapie kan gepaard gaan met diverse bijwerkingen. Ze ontstaan doordat chemotherapie ook de normale celdelingen in het lichaam beïnvloedt. Weefsels waarin cellen zich snel delen zijn het meest kwetsbaar. De bijwerkingen zijn meestal tijdelijk van aard en verdwijnen wanneer de behandeling is afgelopen. Af en toe kunnen de bijwerkingen zo ernstig of onaangenaam zijn dat de chemotherapie moet worden stopgezet of gewijzigd. Bijwerkingen die bij de meeste middelen voorkomen hebben betrekking op het beenmerg, het maagdarmkanaal, de haren en de voortplanting. Daarnaast heeft elk middel nog zijn eigen specifieke bijwerkingen. Vermoeidheid komt veel voor. 

Beenmerg

In het beenmerg worden bloedcellen aangemaakt. Door de chemotherapie wordt dit vertraagd waardoor tekorten ontstaan. Een tekort aan rode bloedcellen kan leiden tot bloedarmoede, een tekort aan witte bloedcellen tot ernstig verlopende infecties en een tekort aan bloedplaatjes tot problemen met de bloedstolling. Om het tekort aan (witte) bloedcellen te beperken, worden soms medicijnen gegeven (hematopoëtische groeifactoren) die de vorming van bloedcellen stimuleren. Bij sommige chemokuren is het beenmerg zodanig beschadigd dat het zichzelf niet meer kan herstellen. Vóór de kuur kunnen dan stamcellen uit het beenmerg worden gehaald, die na de kuur weer worden teruggeplaatst. Het beenmerg kan zich dan herstellen.

Spijsverteringsstelsel

Het slijmvlies in het maagdarmkanaal beschadigt door chemotherapie. In de mond kunnen daardoor zweertjes ontstaan (stomatitis). Slikklachten, misselijkheid, braken en diarree komen vaak voor. Misselijkheid en braken kunnen verminderd worden met medicatie.

HarenVolledige of gedeeltelijke haaruitval (alopecia) is ook een veelvoorkomende bijwerking. Naast het hoofdhaar kunnen ook wimpers, wenkbrauwen, okselhaar en schaamhaar uitvallen. Door de hoofdhuid tijdens de chemobehandeling te koelen, kan het haar soms (langer) behouden blijven. Wannneer de chemotherapie is afgelopen komt het haar weer terug.

Voortplanting Cytostatica kunnen – tijdelijk of permanent – invloed hebben op de vruchtbaarheid. Bij mannen vermindert de kwaliteit van het zaad, vrouwen kunnen vervroegd in de overgang komen. Eventueel kunnen voor de behandeling spermacellen van de man of eicellen van de vrouw worden ingevroren. Het wordt afgeraden om tijdens chemotherapie zwanger te raken in verband met mogelijke risico’s voor het kind.

Eten tijdens chemotherapie

Chemotherapie kan een grote invloed hebben op het eetgedrag. Door de misselijkheid, door smaakverandering, of doordat de mond of keel beschadigd raken. Wat wel en niet gegeten kan worden, of wat wel of niet ‘goed voor je is’ verschilt behoorlijk van persoon tot persoon. Hoewel ‘wat kan ik nog wel eten’ een zoektocht is waarin iedere kankerpatient zijn eigen ontdekkingstocht heeft te gaan, wil ik hier toch wat van mijn ervaringen neerzetten. Wellicht dat een recept of tip een hulp kan zijn. Ik heb twee verschillende soorten chemo gehad. Bij de eerste chemo was ik vooral misselijk, met een erg gevoelige maag. Mijn smaak veranderde in die zin, dat ik at wat mijn maag verdroeg. Doordat ik dexamethason kreeg in het infuus, kreeg ik trek in de gekste dingen. Bij de tweede chemo verloor ik mijn smaak. Ik had een droge mond, een vieze smaak in de mond en proefde geen zoet, zout of zuur meer. Mijn mond is veelal heel gebleven, maar ging wel steeds flink achteruit in de eerste week na de chemo. Misschien dat dat gelegen heeft aan de maatregelen die ik heb genomen om te voorkomen dat mijn tandvlees stuk zou gaan. Dus ook daar heb ik wat tips uit mijn (eet)gedrag opgenomen.

Ik onderscheid de volgende ‘eetsituaties’ (klik in menu links):

Aangetaste smaak door chemo

Vieze smaak in de mond door chemo

De mond is ‘stuk’ door chemo

De maag is ‘stuk’ door chemo

‘Rare’ dingen eten door chemo

(niet meer lusten wat eerst lekker was en andersom; aantal eetgewoontes en recepten)

Stoelgang en chemo

Veel mensen die chemotherapie krijgen, krijgen problemen met hun darmen en stoelgang. Of het diarree wordt of juist verstopping / obstipatie, is behoorlijk onvoorspelbaar. Enige kennis van voedsel dat laxerend werkt, vond ik een uitkomst. Daarom hieronder een rijtje, absoluut onvolledig.

Laxerend: prei, sinaasappel, pruimen, vijgen en dadels, ontbijtkoek, tomaat, ontbijtkoek, kauwgom met sorbitol, drop, rode bieten, koffie, roosvisé laxo, karnemelk, yoghurt, vezelreek eten (granen, volkoren, cruesli, zilvervliesrijst, noten), mango. Banaan en witbrood hebben overigens juist een verstoppend effect.

 

 

 

 

 

Be Sociable, Share!

Dit bericht is geplaatst in algemeen met de tags , , . Bookmark de permalink.