Weer een illusie armer: de wonderbaarlijke antioxidanten

Antioxidanten blijken bij nader inzien helemaal niet zo gezond. Zeker niet voor kankerpatiënten.

Zie het als een klassieke strijd tussen goed en kwaad, maar dan op het niveau van moleculen, atomen en elektronen. In de microkosmos van de menselijke cel heb je vrije radicalen. Die zijn fout. De afgelopen dertig jaar werden ze in verband gebracht met suikerziekte, kanker, hart- en vaatziekten en allerlei andere aandoeningen. En je hebt antioxidanten. Die maken korte metten met de gehate vrije radicalen en zijn dus goed. Antioxidanten staan synoniem voor anti-veroudering, anti-kanker, anti-verzin het maar, en dienen dus overvloedig geconsumeerd en gesmeerd te worden. Met die kraakheldere boodschap wisten voedingsfabrikanten en reclamemakers wel raad.

Maar onder wetenschappers slaat meer en meer de twijfel toe over die wonderbaarlijke antioxidanten. Zelfs wordt inmiddels de vraag gesteld: vrije radicalen of antioxidanten, wat zijn nu eigenlijk de ‘bad guys’?

Antioxidanten: blijf er vanaf als je wordt behandeld voor kanker
Onlangs sprak het orakel, in de persoon van James Watson. Hij won in 1962 de Nobelprijs, samen met Francis Crick, voor zijn baanbrekende onderzoek naar de dubbele helixstructuur van DNA. Als zo’n man van zich doet horen, dan wordt er geluisterd. Ditmaal trakteerde de 85-jarige Watson de wetenschap op een waar manifest van ettelijke kantjes over de stand van zaken in het kankeronderzoek. Taaie kost, klonk het. Maar niet mis te verstaan was Watsons boodschap over antioxidanten: blijf er vanaf als je wordt behandeld voor kanker. Geen antioxidantenrijke voeding, en zeker geen potjes en strips met supplementen. En of ongeneeslijke kankervormen over tien jaar met succes te behandelen zijn, hangt er van af of wetenschappers manieren vinden om het gehalte aan antioxidanten in de tumor niet omhoog, maar juist omlaag te krijgen.

Zijn redenering klinkt heel logisch. Normale lichaamscellen, betoogt Watson, beschikken over de ingebouwde mogelijkheid om zichzelf op enig moment, onder specifieke omstandigheden, te vernietigen. Dat is een nuttig mechanisme, bijvoorbeeld om oude en beschadigde cellen op te ruimen. Voor zo’n geplande celdood zijn vrije radicalen nodig.

Tumorcellen spelen daar slim op in. De woekerende cellen blijken namelijk zelf antioxidanten te produceren die de vrije radicalen wegvangen. Dat trucje is precies de reden waarom de tumorcellen niet doodgaan, maar blijven woekeren. Dat gaat van kwaad tot erger als kankerpatiënten ook nog eens proberen de ziekte de baas te worden met cocktails van vitamine C, vitamine E, bèta-caroteen, zink, selenium en al die andere bekende en minder bekende antioxidanten: extra antioxidanten, extra brandstof voor de tumor.

Een ware traktatie voor de tumorcellen

Watsons manifest werd vorige week ondersteund door Zweedse onderzoekers in het wetenschappelijke blad Science Translational Medicine. Zij namen de proef op de som met speciale, kankergevoelige muizen. Met een adenovirus werd tumorvorming in hun longetjes op gang gebracht. Daarna kregen de beestjes twee antioxidanten, vitamine E en N-acetylcysteine. Dat laatste is een farmaceutische stof die in slijmoplossers zit, en kennelijk een ware traktatie voor de tumorcellen. Bij de muisjes die de antioxidanten kregen toegediend, groeiden de longtumoren een stuk sneller en nam de levensduur flink af. Dat effect trad al op bij realistische, niet extreem hoge doseringen antioxidanten, vergelijkbaar met doseringen in voedingssupplementen voor menselijk gebruik. Oppassen dus met de antioxidanten, betogen de Zweden, bijvoorbeeld bij rokers die mogelijk voorstadia van longkanker hebben, en bij mensen met chronische longproblemen die geneesmiddelen met acetylcysteine gebruiken.

Prima werk van de Zweden, en een bevestiging van eerdere studies, zegt hoogleraar Hein te Riele. Hij is hoofd van de afdeling moleculaire biologie van het Nederlands Kankerinstituut/Antoni van Leeuwenhoek-ziekenhuis in Amsterdam. Te Riele: “De boodschap is dat de vermindering van vrije radicalen leidt tot een snellere tumorgroei, en niet omgekeerd, zoals vroeger werd gedacht.” Achter die laatste redenering – meer vrije radicalen, meer tumorgroei – school een op zichzelf aannemelijke gedachte, legt hij uit. “Die gedachte was dat vrije radicalen mutaties kunnen aanbrengen in het DNA. En kanker is een ophoping van DNA-mutaties. Een kwestie van een en een is twee.”

Maar hoe plausibel ook, deze gevolgtrekking klopt dus niet. Te Riele wil nog wel aannemen dat vrije radicalen inderdaad DNA-schade kunnen veroorzaken. En misschien – maar daar wordt het speculatie, benadrukt hij – werkt het overvloedige gebruik van antioxidanten bij kerngezonde mensen inderdaad preventief voor het ontstaan van kanker, door mutaties in het DNA te voorkomen. “Al is dat nooit gebleken bij groot opgezette onderzoeken waarbij mensen langdurig antioxidanten slikten: statistisch hadden ze daardoor niet minder kans op kanker.” En als er eenmaal kankercellen in het lichaam aanwezig zijn, dan kunnen antioxidanten klaarblijkelijk zelfs averechts werken. Dat is wat Te Riele betreft zoetjesaan wel afdoende aangetoond. “Wij raden het gebruik van extra antioxidanten tijdens bestraling of een chemokuur al een tijdlang af.”

Gammastraling

Dat is een verstandig advies, wat Aalt Bast betreft. Hij is hoogleraar toxicologie aan de Universiteit Maastricht, en een van de twee auteurs van een recent wetenschappelijk artikel: ‘Tien misvattingen over antioxidanten’. De kern van chemotherapie of bestraling is beschadiging van de tumorcellen door vrije radicalen, legt Bast uit. “Met gammastraling maak je vrije zuurstofradicalen door water te splitsen. Deze zuurstofradicalen zijn toxisch voor tumorcellen. Met veel antioxidanten ondermijn je dat effect op de tumor.”

Vrije radicalen moet je ook om andere redenen niet ongelimiteerd wegvangen, betoogt Bast. Ze hebben een rol in allerhande lichaamsprocessen. Witte bloedcellen maken zuurstofradicalen om bacteriën te bestoken die het maagzuur overleefd hebben en via de darm het lichaam zijn binnengedrongen. En vrije radicalen spelen een rol bij de bloeddrukregulatie. Bij overvloedig gebruik van antioxidanten zou in theorie de bloeddruk omlaag gaan. Al moet Bast daar eerlijkheidshalve bij zeggen dat zelfs bij het nuttigen van grote hoeveelheden tomatensoep de bloeddruk wel op peil blijft – in die zin is het een theoretisch risico.

Ook redenen om wel antioxidanten te slikken lijken vooral theoretisch. Biochemisch gezien zouden antioxidanten kunnen helpen om atherosclerose (‘aderverkalking’) te voorkomen. “Ze kunnen de oxidatie van vetdeeltjes in het bloed tegengaan zodat die niet aan de vaatwand vastplakken”, zegt Bast. “Dat klinkt als een superlogisch concept maar lukt in de praktijk toch niet zo goed.” Tenminste, niet als je antioxidanten gebruikt als schot hagel. “Dat wordt anders als je heel zorgvuldig kijkt naar je onderzoeksgroep. Bij Italianen met een mediterraan dieet, toch al rijk aan antioxidanten, gebeurt er niks als je extra antioxidanten geeft. Maar bij een Engelse doelgroep die min of meer leefde op fish and chips, met weinig groente en fruit, bleken ze wel enigszins te beschermen tegen vaataandoeningen.”

Het is nu eenmaal een genuanceerd verhaal, zegt Bast bijna verontschuldigend. Om nog even terug te komen op dat Zweedse onderzoek, dat zat goed in elkaar. Met de kanttekening dat ze wel hele rare, tumorgevoelige muizen hadden gebruikt. De conclusies van de Zweden, met hun waarschuwing voor de gevaren van slijmoplossers, gaan Bast dan ook wat te ver. “En de stelling dat antioxidanten onder normale omstandigheden beschermen tegen DNA-schade, en dus tegen het ontstaan van kanker, blijft wat mij betreft fier overeind.”

Antioxidanten zijn een containerbegrip, betoogt Bast. “We moeten veel bewuster onderscheid gaan maken, en dan zullen we zien dat er nog heel veel goeds aan te ontdekken valt.” Neem acetylcysteine, door de Zweden in het verdomhoekje gezet: bij patiënten met longfibrose blijken die de verlittekening van het longweefsel enigszins af te remmen. Zijn eigen onderzoeksgroep deed veel onderzoek naar het antitumormedicijn doxorubicine, dat werkt via het vrijkomen van zuurstofradicalen in het tumorweefsel – en helaas ook in het hart. “Wij hebben antioxidanten gemaakt die daar speciaal in het hart bescherming tegen bieden.” Waarbij hij tegenwoordig oppast met de term antioxidanten, omdat die toch wat besmet is geraakt. “We spreken liever van bioactieve stoffen.”

Hoe meer hoe beter?
James Watson mocht een Nobelprijs in ontvangst nemen, de veelzijdige Linus Pauling kreeg er zelfs twee – een voor de chemie en een voor de vrede. In het recente wetenschappelijke artikel ‘Tien misvattingen over antioxidanten’, van de Maastrichtse wetenschappers Aalt Bast en Guido Haenen, figureert Pauling bij misvatting 3: hoe meer, hoe beter.

Pauling, grondlegger van de zogeheten orthomoleculaire geneeskunde, verwierf faam met zijn aanbeveling om per dag liefst 1000 mg vitamine C te slikken voor een optimale gezondheid. Dat is een enorme overschrijding van de gebruikelijke aanbevolen dosis van 75 tot 90 milligram.

Zo’n megadosis mist volgens reguliere wetenschappers een goede onderbouwing. ‘Baat het niet, dan schaadt het niet’ gaat ook al niet op voor hoge doseringen antioxidanten. Zo bleek uit een groot Fins onderzoek dat een hoge dosis ‘beschermend’ bèta-caroteen bij rokers juist vaker leidt tot longkanker.

Oxidatie en antioxidanten

Geen leven zonder vrije radicalen. Ze ontstaan onder invloed van zonlicht, asbest en roken, maar ook gewoonweg door te ademen: zuurstofmoleculen kunnen heel gemakkelijk een extra elektron in hun schil opnemen, zodat zuurstofradicalen ontstaan. In de mitochondriën, de energiefabriekjes van de menselijke cellen, komen tijdens het ‘productieproces’ voortdurend elektronen vrij die door zuurstofmoleculen worden weggevangen.

Door hun extra elektron gaan de agressieve vrije radicalen willekeurig chemische reacties aan met allerlei moleculen in het lichaam, ook met DNA. Dat proces heet oxidatie. Antioxidanten, de naam zegt het al, gaan dat tegen omdat ze het extra elektron overnemen van vrije radicalen.

ABCC1- celtransportereiwit bepaald als dé vitamine B12- receptor bij de mens héél veel qua energievoorziening van vrijwel alle cellen in het lichaam, ook kankercellen. Wie kanker heeft doet maar liever nivo vitamine B12 én nivo ABCC1 naar beneden. GEEN vitamines dus. ABCC1 – juist niet ABCB1 – is vrijwel de enige receptor die oncologen met bestaande chemos echt kunnen beinvloeden, dán is de eerste klap een daalder waard. Die klap is overigens heel stevig, heel erg als het werkt.

Be Sociable, Share!

Dit bericht is geplaatst in algemeen 2 met de tags . Bookmark de permalink.